Op de kerstborrel moest niet ik, maar mijn vriend bijkomen. ‘In al die jaren dat we samen zijn, heb ik nog nooit zoiets racistisch meegemaakt. Natuurlijk weet ik wel dat er racisme is, maar hier schrik ik echt van.’ Ik keek naar hem, met zijn kersttrui, en zijn ogen even in de war als de krullen op zijn hoofd.

‘Je hebt een mooie dictie voor een Surinamer’

Ik vond het verbazingwekkend dat hij zo van slag was. Wanneer ik opmerkingen krijg die me eraan herinneren dat ik niet Mark Ruttes Gewone Normale Nederlander ben – ‘je hebt een mooie dictie voor een Surinamer,’ ‘je wordt vast aangenomen omdat je zwart bent,’ ‘you had a lot of chocolate milk!’ – zeggen mensen dat het vaak ‘niet zo bedoeld’ is. Wanneer er sprake is van positieve discriminatie, zou ik volgens anderen juist blij moeten zijn met de kansen die ik krijg. En o wee als ik er toch over doorga. ‘Heb je het nu alweer over kleur?’ zei een vriendin laatst.

Illustratie: Hannah Buckman (voor De Correspondent)
Illustratie: Hannah Buckman (voor De Correspondent)

 

Punt is: ik ben en voel me net zo Nederlands als blonde Willemijn uit Oegstgeest. Mocht het woord nog bestaan, dan was ik zelfs een autochtoon. En al was ik een allochtoon, ik ben van hier. Toch word ik regelmatig in het hokje ‘diversiteit’ geplaatst. Vaak is dat op basis van mijn huidskleur of mijn veronderstelde afkomst. In ieder geval is het niet om mijn verhaalideeën of de dingen die ik produceer. Hoezeer ik ook ben voor het streven naar diversere samenstelling van organisaties, soms ben ik die stempel een beetje zat. Want wat ís diversiteit nou eigenlijk? En waarom pakken de pogingen om diversiteit te bevorderen – en om uiteindelijk situaties als op het fietspad te voorkomen – vaak zo lullig en pijnlijk uit?

Kort geleden vroeg een blad mij of ik een stuk wilde schrijven over een Afro-Amerikaanse opera. ‘Want,’ zei een aardige jongeman die een artikel van mij had gelezen, ‘het zou raar zijn als wij erover zouden schrijven.’ Ik knikte begripvol en vroeg me af wie ‘wij’ waren. Hoewel ik niks van opera wist, ging ik op zijn verzoek in. Een redacteur nodigde me uit voor een gesprek, waarin ze onder andere uitlegde wat een libretto is.

‘We hebben bijna alleen maar witte mannen van boven de vijftig in onze redactie’

Toch apart, dacht ik, een schrijver te vragen die amper iets van opera weet. Waarom ik? ‘We zijn bezig met diversiteit,’ zei de redacteur al friemelend aan haar papier, ‘we hebben bijna alleen maar witte mannen van boven de vijftig in onze redactie.’ Ze zei het alsof ze me ervan wilde overtuigen dat ze dat net zo belachelijk vond als ik dat vast zou vinden. Ik kreeg een kaartje voor een ander stuk mee ‘om te kijken of het iets voor mij was,’ schudde de aardige mevrouw de hand, deed mijn muts op en fietste weg.

Illustratie: Hannah Buckman (voor De Correspondent)
Illustratie: Hannah Buckman (voor De Correspondent)

 

Nu was ik beduusd. Waarom werd ik – die amper weet wat een libretto is – gevraagd om over die ene zwarte opera te schrijven? En wat was er volgens haar dan zo ‘divers’ aan mij? Zeker, goede bedoelingen. Maar het voelde tweederangs.

Vroeger wilde ik worden en fantaseerde ik over het aflezen van de autocue. Ik herken mij eerder in een zwarte vrouw dan in een witte. Dus ja, representatie is noodzakelijk, zeker bij beeldbepalers. Het is goed als mensen gerepresenteerd worden, dat er rolmodellen zijn. Maar dat is nu toch wel gezegd? Het gaat nu om hoe die ‘diversiteit’ wordt gegenereerd. Hoe goedbedoelende instellingen mensen het stempel ‘divers’ geven en zo anders maken. Wanneer ik op de website van de NTR onder programma’s aanklik, zie ik programma’s met voornamelijk bruine, lichtbruine of donkerbruine mensen. Van Danny in Arabistan tot Groeten uit Marokko.

Ik vraag me af waarom ‘diversiteit’ wordt weggezet als een apart thema. Zou het niet in de kern moeten zitten, in alle thema’s?

Illustratie: Hannah Buckman (voor De Correspondent)
Illustratie: Hannah Buckman (voor De Correspondent) 

 

In de krant las ik dat de publieke omroep – net als voorgaande jaren – Het deed me denken aan de keer dat ik stage liep bij de televisie en de manager daar een presentatie hield tijdens de jaarvergadering. Op zijn slideshow verscheen – na Yvon Jaspers met een grasspriet in haar mond – het kopje ‘diversiteit,’ met mijn naam eronder.

Op zijn slideshow verscheen het kopje ‘diversiteit,’ met mijn naam eronder

‘Het gaat goed met de diversiteit,’ zei de manager in streepjespak en wees naar de zes namen op het scherm. Ik kreeg rode wangen. Maar ‘het was niet zo bedoeld,’ verzekerde de eindredacteur mij de volgende dag. Bij mijn afscheid trakteerde ik op Zoenen, witte schuimpjes met chocola eromheen. Met mijn gele doos liep ik naar het kantoor van de manager en bood hem de traktatie aan. ‘Bedankt voor de di-ver-si-teits-stage,’ zei ik. ‘Graag gedaan! Heb je een fijne tijd gehad?’

Illustratie: Hannah Buckman (voor De Correspondent)
Illustratie: Hannah Buckman (voor De Correspondent)

 

Terug naar de kerstborrel, die inmiddels een kerstdiner was geworden. Mijn vrienden zetten grote ogen op toen ik over de man in de auto vertelde. Toen ik het woord ‘kankernegerin’ liet vallen. De producent naast mij – met meer pigment in zijn huid dan ik – vertelde dat hij meer schrikt van racistische agressie dan van institutioneel racisme. ‘Toen ik bij de televisie kwam werken, was er helemaal geen diversiteitsbeleid. In die zin gaan we erop vooruit. Hoe onnozel, achterhaald en beledigend het er soms ook aan toegaat.’ Samen haalden we herinneringen op aan die eindredacteur die een fascinatie had voor zwarte vrouwen en met wie we aan een documentaireproject werkten. ‘Ze zullen wel denken,’ zei de eindredacteur toen we de refter binnenkwamen ‘daar heb je hem weer met zijn negers. En dan ook nog [ik had een tuinbroek aan, EL] met een lesbische negerin.’ Nu vielen de monden van mijn vrienden pas echt open. De producent lachte met mij mee en zei toen: ‘Eigenlijk had ik er wat van moeten zeggen.’

Een aantal maanden terug vroeg een journalist ‘van welk werelddeel ik afkomstig was.’ Want hij had nog ‘een vriendje die bezig was met diversiteitsdingen.’ We kunnen diversiteitsprogramma’s in het leven roepen, diversiteitsdebatten organiseren, diversiteitspotjes blijven opdoen. Maar wat als structuren niet veranderen, als dezelfde machthebbers aanblijven? Het is bovendien door dit soort situaties, dit soort mensen en dit soort stempels dat ik soms niet weet waarom ik ergens überhaupt mag zijn. Maar beschrijf maar eens zo’n gevoel, leg dat maar eens uit aan iemand die dat nooit meemaakt. Vaak is het niet zo bedoeld, nee. Ik keek naar mijn vriend die bezig was met gezelligheid en dacht aan de situatie op de fiets. Hoe lang zal hij er nog aan denken? Hoe vaak zal ik nog racistische opmerkingen krijgen? Hoe vaak en hoe lang zal ik nog die goedbedoelde diversiteitsstempel opgeplakt krijgen?

Ik vroeg het me af.