De stille activist in mij

Essaywedstrijd ‘Het nieuwe verschil’ (nY)
De Witte Man

Het onderwerp is ‘Gordon’ op het familiediner. We hebben zojuist geproost op een overleden oma die ons tachtig stuks sushi heeft geschonken. ‘Gordon is gewoon Gordon,’ zegt mijn vader en stopt een nigiri met drie stukjes gember in zijn mond. ‘Gordon kan wel gewoon Gordon zijn, maar hij maakte wel een racistische opmer- king met zijn “nummer 39 met rijst”.’

‘Maar hij is niet racistisch,’ zegt mijn vader stellig. ‘Je kan toch niet ontkennen,’ de stokjes zwieren de lucht in, ‘dat het geen kwalijke opmerking jegens Aziatische mensen was?’

‘Het was gewoon een grapje van Gordon.’
‘Grappig voor wie? Voor bepaalde mensen, ja.’
Onze stemmen verheffen zich. In een ooghoek zie ik dat

mijn moeder al zwijgend haar California maki’s doormidden pro- beert te snijden met haar stokjes – wat niet lukt. ‘Je mag helemaal niets meer zeggen tegenwoordig’, bromt mijn vader. ‘Maar pap, wat weet jij nu van racisme, als witte man?’ We zijn nog maar twin- tig minuten aan de gang en we stevenen al af op een familiedrama (het is niet eens kerst).

Het is niet de eerste keer dat ik de activist uithang in de familie. Het is niet de eerste keer dat ik mijn vader niet vraag, maar opleg naar mij te luisteren. Witte mensen moeten immers luisteren naar mensen die niet wit zijn, las ik onlangs nog in het zoveelste opiniestuk. En aangezien mijn vader hier, naast mijn vriend, de enige witte man aan tafel is, dient hij te luisteren. Wanneer ik het Zwarte Pietendebat aanzwengel en mijn vader voorhoud ‘dat hij toch beter zou moeten weten omdat hij al zolang omringd wordt door Surinamers’, is de kans op een gezellige avond (voor oma!) echt verkeken.

De laatste stukjes sushi met krab en komkommer staren ons aan. ‘Wie wil?’ probeert mijn broer nog, maar iedereen heeft er de buik van vol.

Het is pas sinds kort dat ik activistisch gedrag vertoon. Om eerlijk te zijn had ik een kleine aversie tegenover uitgesproken activis- ten. De schreeuwlelijk die eist dat men luistert, maar zelf geen kri- tiek duldt. De betweter die op militante wijze zijn of haar mening verkondigt en boven de rest staat. Afgelopen jaar stonden er vele activisten en feministen op. Ten aanval gaan bleek hip. Racisme, seksisme, kapitalisme, het klimaat, desnoods tegen de gaswinning in Groningen; als je op sociale media laat zien strijdbaar te zijn, dan win je (likes).

Lang aarzelde ik of ik me – publiekelijk – meer uit moest spreken. Was ik wel zwart genoeg om ten strijde te trekken? Was ik wel benadeeld genoeg om mijn vuist te heffen? Steeds vaker werd mij gevraagd of ik weleens gediscrimineerd was. Soms met een toontje van ‘die debatten zijn allemaal wel erg overdreven, toch?’, dat me mateloos irriteerde en dan weer met een toontje vol medelijden en begrip, waardoor ik schrok van de slachtofferrol waarin ik nu verkeerde. Een activist staat erom bekend radicaal te zijn, maar waar hoorde ik bij?

Ik

‘Vind je mij zwart?’ vroeg ik aan een vriend, type blond haar, blauwe ogen, genaamd Jan. Een stilte.

‘Of doe ik wit?’ dacht ik erbij. Jan was op zijn ongemak. Zoals altijd als Jan ongemakkelijk is, wuifde hij zijn haren opzij waardoor een aparte scheiding volgde. ‘Je bent ook gewoon een meisje uit Leiden. Ofzo. Met een witte vader die huisarts is. Mis- schien heb je het beide in je?’

Mijn donkere kijkers staarden in zijn helderblauwe ogen die me deden denken aan de ogen van mijn vader. Mijn vader die werd geboren in een dorp bij Rotterdam dat niet meer bestaat, dat is opgeslokt door water, haven en voornamelijk door tijd. Eigenlijk is mijn vader van nergens meer, maar in tegenstelling tot de rest van ons gezin, wel echt van hier.

‘Maar bén ik zwart? Of hoe wit ben ik dan?’ Ik wilde van hem weten of hij soms wist hoe het voelt om een kleur te zijn. Het werd een gefabriceerd gesprek, oppervlakkig. Hij kent me toch als Emma en niet als ‘Zwart’ of ‘Wit’? De scheiding op zijn hoofd kon niet groter.

Bij mijn geboorte kruiste de gemeenteambtenaar het hokje au- tochtoon aan, maar zo autochtoon als Jan zal ik nooit zijn. Vaak krijg ik de vraag ‘waar ik vandaan kom, maar dan echt’. Dan denk ik aan de Leidse straten en hoor de rollende r-en in mijn hoofd, maar met een automatisme zeg ik Suriname (om de ander tevre- den te stellen).

Ik noem het land dat voor mij net zo exotisch ver weg klinkt als voor een ander. Het land dat ik linkte aan de kalender bij mijn grootmoeder thuis – mijn grootmoeder met die rare Surinaamse gebruiken zoals kno ook in de hoek neerleggen tegen de boze geesten. Mijn grootmoeder die in de jaren vijftig samen met mijn grootvader, de marinier, Paramaribo verruilde voor Noordwijk, waar mijn moeder ter wereld kwam.

Thuis pasten ze zich aan: het Sranantongo mocht niet meer klinken, de aardappels stonden op tafel, Sinterklaas werd gevierd. Slechts met veel fantasie konden ze de Noordzee nog over zien gaan in de Surinamerivier. Zo heeft mijn moeder zelfs van pom maken geen kaas gegeten. Dus hoe Surinaams ben ik nog?

Activistisch gen

De activistische wind blies door mijn sociale media. Ik verslond artikelen waarin ‘white privilege’, ‘black consciousness’ en andere uit Amerika overgewaaide termen voorkwamen. Ik maakte me boos. Ik koelde af. Ik was het er niet mee eens, of toch een beetje. Maar bovenal: ik hield mijn mond. Wat zou ik moeten zeggen?

Een aantal jaar geleden liep ik stage bij de Nederlandse Publieke Omroep. We hadden een jaarvergadering, een man
in streepjespak ijsbeerde over het podium. De redacteurs za-
ten klaar met een wit wijntje in de hand (‘Laten we het gewoon doen!’ elleboogden ze tegen elkaar). De man schraapte zijn keel. Zette het water aan de mond en sprak zoals alleen managers in streepjespakken dat kunnen. ‘Wat gaan we dit jaar zien?’ vroeg hij zich hardop af. Een kukeleku van een haan in een kippenhok. De voorspelbare programma’s kwamen voorbij: Boer zoekt vrouw, de detectives… En slechts een aantal slides verwijderd van Yvon Jaspers met een grasspriet in haar mond, verscheen het kopje ‘diversiteit’ op het scherm, met prompt mijn naam eronder.

‘Het gaat goed met de diversiteit’, sprak hij. Vanbinnen voelde ik een bommetje dat niet ontplofte. ‘Mag ik daarom deze stage doen?’ was mijn gedachte. Ik ben uiteraard voor meer diversiteit en zeker in de media, maar gaat dat niet verder dan de kleur van de huid en de haren op het hoofd? Ik vroeg me af wat er zo divers aan mij was: niet mijn naam, niet mijn achtergrond, de Vlaamse studie ‘Woordkunst’ die ik genoot? Het kantoor van de manager zat naast onze redactie. Elke dag zoefde hij voorbij en het enige wat hij kon zien, was dat de kleur van mijn huid iets donkerder was dan die van mijn collega’s. Een aantal dagen later zat mijn stage erop. Gepast trakteerde ik met Zoenen: witte substanties omgoten met chocola. Met de traktatie liep ik naar zijn kantoor en opende mijn gele doos: ‘Dankuwel voor de di-ver-si-teits-stage’, zei ik luid en duidelijk.

‘Graag gedaan! Heb je een jne tijd gehad?’ vroeg de manager.

‘Ja.’

De man wreef over zijn buik (‘dieet, haha’) en wees mijn Zoenen af. Hij begreep het niet. Hij begreep niets van mijn kleine daad van verzet. Ik droop af: waarom verbond ik geen woorden aan mijn daad?

Wolkje

Het waren dit soort twijfels die het afgelopen jaar als een wolkje om me heen hingen. Ik las Pleidooi voor radicalisering van Dyab Abou Jahjah, waarin hij het heeft over het ‘activistisch gen’. Hij stelt dat ‘sommige mensen meer aanleg hebben voor activisme dan anderen’. Het is de enige passage die ik in zijn nogal teleur- stellende boek onderstreepte. Terwijl ik dat deed, vroeg ik me af of ik dat gen bezat. Aan verontwaardiging geen gebrek, engagement voldoende, maar de activist in mij vindt niet vaak de juiste woor- den. Dus zwijg ik maar.

De zomer van 2016 leek een keerpunt, toen ik twee weken op een schrijversresidentie was in Parijs, met schrijvers die de pen han- teerden alsof ze het leven in woorden konden vatten. Er werd een groepsfoto gemaakt, ik was verreweg de bruinste. Het was een auwe gedachte, maar toch vroeg ik me stiekem af of ik daar soms (weer) was voor de diversiteit. De schrijvers schreven binnen, mijn werkplek was de stad: ik moest verhaal, ik moest Parijs, daarbui- ten ligt het toch? Manisch rende ik rond, tegen het wolkje in. ’s Avonds wanneer ik uitgeput naar mijn kamer strompelde, kamer 210 en languit in mijn eenpersoonsbed lag, keerde ik armoedig terug naar binnen. Welk verhaal ga ik vertellen, moet ik iets met die div…?

Ik besprak mijn twijfels met de activiste in de groep. We ontmoet- ten elkaar in Brasserie Barbes, nabij het wervelende la Goutte d’Or. Uit het ongelofelijke aanbod van wereldse eettentjes, koos ik net die ene hippe dure tent uit. Daar zat ik in mijn tuinbroek en in dat streepjesshirt, keurig aan de Côte de Provence. Ze moest erom la- chen en vertelde me over de controverse over deze witte plek, de belichaming van gentri cation. Ik schaamde me lichtelijk voor mijn keuze en moest denken aan het boek White Innocence van cultu- reel antropoloog Gloria Wekker. Daarin stelt ze dat witte onschuld niet verbonden is met de huidskleur en dat mensen verblind zijn door hun eigen privileges. Ik voelde me aangesproken.

Ze stak er een op en vertelde over een aanvaring met een van de schrijvers in de groep. Het ging om het woord ‘neger’.

‘Waarom wil je dat woord gebruiken, vroeg ik hem, leg het me uit. Ik voelde dat hij in het gedrang werd gebracht.’ Met haast steekt ze een volgende op en vurig praat ze verder, inhaleert, puft uit. Intussen nip ik wat aan mijn rosé van 5,5 euro.

We kenden elkaar al voor Parijs en bij elk weerzien bekruipt me een gevoel van respect, maar iets benauwt me ook. Ze doet na- melijk iets wat ik te weinig doe of durf: ze spreekt zich duidelijk uit. Ik had graag een goed weerwoord willen hebben toen ik werd gecomplimenteerd met mijn mooie dictie ‘voor een Surinamer’, toen ik vertelde dat ik naar Rwanda ging en de vrouw sprak over ‘dat apenland,’ of onlangs nog toen een meisje zei dat het logisch was dat mijn broer etnisch gepro leerd werd.

Wekker stelt dat ‘wij’ samen moeten werken, tegen de witte onschuld in. Daar in Brasserie Barbes keek ik mijn collega-vriendin aan en vroeg me af: behoorde ik tot dat ‘wij’? Jezelf uitspreken, zeker in groepsverband, is ongemakkelijk. Maar we klonken. Santé! Op de toekomst die komen zal! Nous ensemble! Met die gedach- ten verlieten we de witte bubbel en stapten we de wereld in.

Mijn gelijk

‘Als je maar niet zo irritant wordt als Sylvana Simons’, zegt
een vriend. Een opmerking die me hem met andere ogen doet bekijken. Aan welke kant staat hij eigenlijk? Ik vul de boeken-
kast aan met boeken over het koloniale verleden, maar ook met hedendaagse namen zoals Ta-Nehisi Coates, Zadie Smith en Chimamanda Ngozi Adichie. YouTube blijkt een grote inspiratie- bron voor mensen die zich willen uitspreken, zoals ik. De doeken in mijn haar, die ik altijd al droeg, krijgen een diepere betekenis: ze onderstrepen mijn zwart-zijn. Hoe kon ik er ooit over hebben getwijfeld wat ik was? Met een andere, zelfbewustere blik volg ik verscheidene debatten, bezoek gerelateerde tentoonstellingen en ga in discussie. Ik word zekerder van mijn standpunten en sterker in mijn meningen. Ik krijg gelijk.

Hoe bewuster ik word, hoe meer bommetjes er opgegraven wor- den, die dan vervolgens voornamelijk tot ontplof ng komen in hui- selijke kring. Familie, vrienden, lief: iedereen moet het ontgelden. En zo ook aan de keukentafel waar we de sushiavond begonnen met Gordon. Ik was fel, want wat wist mijn vader met zijn witte geprivilegieerde huid nu van racisme? En waarom zei mijn moeder, een zwarte vrouw, er nooit iets van? Ik probeerde mijn mondige tante als bondgenoot bij de discussie te betrekken, maar ook

zij bleek aan de andere kant van de tafel te zitten. ‘Ehm, ik heb genoeg gestreden. In de jaren tachtig heb ik ervoor gezorgd dat op mijn werk geen Sinterklaas meer werd gevierd, maar Wereld- kinderdag. Nu doe ik het niet meer, de geschiedenis herhaalt zich toch. Ik wil rust.’

Mijn tante, die aangaf nog zo min mogelijk het huis uit te gaan, omdat ze geen zin meer heeft in de confrontatie met hoe de buitenwereld haar bekijkt en haar in een hokje stopt waar ze niet in wenst te zitten. Daar moet toch tegen gestreden worden? We kunnen het nu toch niet opgeven? Ik probeerde mijn broer mee te krijgen, mijn broer die als ‘de zwarte jongen’ veel meer racisme dan ik ondervond, met alle gevolgen van dien. Welke impact had dat wel niet op hem? Op ons gezin? Daar moeten we toch tegen in opstand komen?

Zwart-wit

Volgens Van Dale is een activist een aanhanger en/of lid van een actiegroep. Op zoek naar gelijkgestemden, bezocht ik vol goede moed de Black Lives Matter-avond in De Balie in Amsterdam. In het publiek zag ik meer vrouwen die zoals ik doeken in het haar hadden geknoopt, meer mensen met dezelfde zoekende, maar volhardende blik.

Terwijl Patrisse Cullors oreerde over black lives and why they matter, keek haar partner en medeoprichter Janaya Khan non-stop op hun smartphone. Zodra Khan aan de beurt was, deed Cullors hetzelfde. Is actie voeren in 140 karakters belangrijker dan face to face in gesprek gaan?

‘Thank you for the black person clapping over there’, werd er meermaals gezegd. Ironische opmerkingen over ‘witten’ werden niet geschuwd. Het leidde me af van de kern: samen ten strijde trekken tegen racisme en discriminatie.

Tegen het einde van de avond werd er opgeroepen tot ‘white snitching’ door een man die zich met zijn out t klaarblijke- lijk heeft laten inspireren door de Black Panthers. White snitching houdt in dat racistische opmerkingen door witte personen worden opgenomen en openbaar worden gemaakt. Er werd gelachen en met de vingers geknipt. Een onbehaaglijk gevoel bekroop me. En dan? Wat gaan we met die lmpjes doen? Ik vond het een enge gedachte. Wilde ik hier wel bij horen? Het wolkje was terug.

De Black Lives Matter-avond galmde nog lang na in mijn hoofd en werd herbeleefd toen we terug naar huis reden van de sushiavond. ‘Zou je je vader niet een sms’je sturen om je excuses aan te bie- den?’ zei mijn vriend naast me. Stoïcijns staarde ik naar de wazige lichten van de auto’s voor mij.

‘Waarom? Ik had toch gelijk, het was toch een racistische opmerking?’ mompelde ik.

‘Omdat je met die opmerking over jouw vader als witte man de discussie doodslaat.’ Ik zweeg.

Wat ik aan de keukentafel deed, deden Cullors en Khan in de Balie. Het publiek werd gevoelsmatig onderverdeeld in zwart en wit, en gedurende de avond werden de witten steeds witter en de zwarten nog zwarter. Ik vroeg ik me af of dit de bedoeling was.

Zouden we niet juist tegen die hokjes in moeten gaan? Racisme of privileges zijn toch niet alleen verbonden aan een witte huid?
Ik geloof in collectief ten strijde gaan tegen onrecht, als de overheid faalt. Ik strijd graag mee, vanuit mijn eigen heterogene positie, maar niet in 140 tekens of met een schreeuwerige opinie waarin weinig ruimte is voor nuance.

Op het familiediner werd duidelijk dat de stille activist in mij wakker is en niet meer zwijgt. Maar verdeelde ik de wereld nu niet te veel onder in zwart en wit? Ik wil kleur zien, verschillende vormen, overvloed en gebrek. Ik wil het met mijn vader oneens kunnen zijn, en niet met de Witte Man die niet weet waarover hij spreekt. Ik wil toch ook niet dat mijn huidskleur mijn zijn bepaalt?

Wie weet welke kant het wolkje opdrijft, maar de woorden dwar- relen door mijn hoofd, liggen op mijn lippen. Ze vinden langzaam hun weg op papier, in de kroeg en aan de keukentafel. Daarbij blijft het zoeken naar de juiste toon en vorm om de woorden in te gieten, want met bommetjes gooien – weet ik inmiddels – bereik ik niet datgene wat ik wens: verbinding.

Het sms’je naar mijn vader werd verstuurd.

Deze tekst kwam deels tot stand in het kader van een residentie- project van het Vlaams-Nederlands Huis deBuren in samenwerking met de stichting Biermans-Lapôtre.